Alcoholwetvergunning

De Alcoholwet regelt, kort gezegd, dat een vergunning nodig is voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse in een horecabedrijf en voor het bedrijfsmatig anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse.

Met andere woorden; op grond van de Alcoholwet is een vergunning nodig voor het ondernemen van horeca-activiteiten en voor het exploiteren van een slijterij.

Naast de Alcoholwet is ook het Alcoholbesluit van kracht geworden. In dit besluit staan eisen opgenomen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden. Onder meer mag een leidinggevende niet binnen de laatste vijf jaar wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld zijn tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en mag hij evenmin in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst.

Het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet is met de invoering van de Alcoholwet komen te vervallen. De daarin opgenomen inrichtingseisen staan nu  deels in de Alcoholwet of gelden op basis van het Bouwbesluit 2012. Zo gelden er eisen aan de plafondhoogte (minimaal 2,40 meter), de minimale oppervlakte van een horeca-inrichting (35 m²), het aantal en de plaatsing van de toiletten en eisen ten aanzien van ventilatie.

Onze specialisten op dit onderwerp:

Vergunnning horecabedrijf

Artikel 3 van de Alcoholwet bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf uit te oefenen. Een eerste vraag is dan wat op grond van de Alcoholwet verstaan moet worden onder een horecabedrijf.

In artikel 1 van de Alcoholwet wordt dit omschreven als ‘de activiteiten in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse’.  Het moet dus gaan om óf een bedrijfsmatige activiteit óf het tegen betaling verstrekken van alcoholhoudende drank. Dus ook als het gaat om het verstrekken van alcohol tegen betaling is er een vergunning nodig, zelfs als dit niet direct te kwalificeren is als een bedrijfsmatige activiteit.

Overigens; wanneer er constructies worden bedacht waarbij consumptiebonnen of muntjes inbegrepen zijn bij de entree van een feest en op deze wijze wordt getracht het tegen betaling verstrekken van alcohol te omzeilen, kan reeds op voorhand worden geconcludeerd dat in de jurisprudentie is uitgemaakt dat hiermee toch wordt betaald voor de alcoholhoudende consumpties en een vergunning benodigd is.

Zou toch daadwerkelijk gratis alcohol worden verstrekt, dan wordt in strijd met artikel 25 van de Alcoholwet gehandeld waarin het volgende is bepaald: “Het is degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben, tenzij dit geschiedt ten dienste van het rechtmatig in die ruimte bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwakalcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse…”

Twee soorten vergunningen voor horecabedrijven

Op grond van de Alcoholwet kan een vergunning worden verleend voor een commercieel horecabedrijf zijnde de reguliere horecabedrijven zoals cafés, restaurants, hotels en dergelijke. Deze vergunningen worden op grond van artikel 3 van de Alcoholwet verstrekt. In een dergelijk horecabedrijf mogen zowel zwak alcoholhoudende dranken als sterke dranken worden verkocht. Er mogen echter geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt om elders te nuttigen dan ter plaatse. Alle verstrekte alcoholhoudende dranken dienen genuttigd te worden in een horecalokaliteit die op de vergunning aanwezig is of op een terras dat op de vergunning staat vermeld.

Op grond van artikel 4 van Alcoholwet is het tevens mogelijk om voor zogenaamde paracommerciële instellingen een vergunning af te geven. Het gaat dan om instellingen die slechts als nevenactiviteit alcoholhoudende dranken verstrekken en een hoofdfunctie hebben op een geheel ander vlak. Het kan dan gaan om instellingen met een recreatieve, educatieve of sportieve functie zoals voetbalclubs, culturele instellingen en vergelijkbare instanties. Gemeenten moeten verplicht een verordening met regels voor paracommerciële instellingen opstellen. Onderdeel van deze verordening zijn regels voor het houden van besloten partijen en de schenktijden. 

Inrichtingseisen

Een Alcoholwetvergunning wordt altijd verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf in een inrichting. Een Alcoholwetvergunning kan dus, met andere woorden, niet verleend worden aan – bijvoorbeeld – ondernemers die drank verstrekken met een reizend bedrijf zoals kermisexploitanten of uitbaters van een oliebollenkraam.

Opvallend genoeg geldt het vereiste van een vergunning niet voor vervoermiddelen die bestemd zijn voor het vervoer van personen, tijdens het gebruik van een vervoermiddel als zodanig. Met andere woorden; wanneer een boot, trein of vliegtuig als zodanig in gebruik is (en dus met passagiers onderweg is) kan er zonder Alcoholwetvergunning worden geschonken.

Een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend dient aan een aantal inrichtingseisen te voldoen. Allereerst dient de inrichting, zoals alle bouwwerken in Nederland, te voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Daarnaast dient een inrichting een oppervlakte van minimaal 35 m² te hebben, een hoogte van ten minste 2,40 meter vanaf de vloer (2,60 meter bij nieuwbouw) en dient de horecalokaliteit voorzien te zijn van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande, goed werkende, mechanische ventilatie met een bepaalde vastgestelde luchtverversingscapaciteit.

Ten aanzien van toiletgelegenheid geldt er nu voor nieuwbouw 2 toiletten zonder verdere eisen van voorportaal/apart handen wassen. Indien er maximaal 15 personen zijn aangewezen op het toilet dan volstaat één toilet. Voor bestaande bouw geldt dat één toilet volstaat, indien er maximaal 25 personen op zijn aangewezen.

Vanzelfsprekend kunnen sommige van deze voorschriften nog wel eens vragen oproepen. Er kunnen zich problemen voordoen rondom het meten van de minimale hoogte. Als bijvoorbeeld een plafond gekenmerkt wordt door zeer vele balken welke geen minimale afstand tot de vloer hebben van 2,40 meter, dan kan men zich afvragen hoe men dient te meten.

Ontheffing

Met de invoering van de Alcoholwet geldt op grond van artikel 10 dat een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend een oppervlakte van ten minste 35 m2 heeft. De burgemeester kan besluiten hiervan a te wijken indien er sprake is van een lokaliteit die is gevestigd in een rijksmonument.

Tapontheffing

Een uitzondering op het uitgangspunt dat een horecabedrijf alleen kan worden uitgeoefend in een inrichting wordt gevormd door de ontheffing op grond van artikel 35 van de Alcoholwetvergunning waardoor bij evenementen ontheffing van het verbod van de Alcoholwetvergunning verleend kan worden voor het verstrekken van zwak alcoholhoudende dranken.

Het moet daarbij gaan om bijzondere gelegenheden van zeer incidentele aard, zoals een straatfestival, Koningsdag of een lokale feestweek.

De leidinggevende die achter de tap staat moet in het bezit zijn van een SVH-verklaring, de aanvrager hoeft dat formeel niet te zijn.

Let er wel op dat deze ontheffing alleen geldt voor zwakalcoholhoudende dranken en niet voor sterke drank. Als de ontheffing wordt verleend ten behoeve van een locatie grenzend aan een bestaand terras kan dit dus tot de merkwaardige situatie leiden dat op het ene deel van het terras wel sterke drank verstrekt mag worden en op het andere deel niet.

Leidinggevenden

 

Als er alcoholhoudende dranken worden verstrekt in een inrichting, dient altijd een leidinggevende aanwezig te zijn.

Artikel 8 van de Alcoholwetvergunning stelt eisen aan de leidinggevenden welke op de Alcoholwetvergunning worden vermeld. De leidinggevenden mogen niet uit de ouderlijke macht of de voogdij zijn ontzet, mogen niet onder curatele staan, mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn en moeten voldoen aan de eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag zoals gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Alcoholwetvergunning. Bovendien dient de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar te hebben bereikt en dient hij/zij te beschikken over een Verklaring Sociale Hygiëne.

Met name de eis van het niet mogen zijn van slecht levensgedrag roept vele vragen en verschillen van mening op. Of voldaan wordt aan deze eis valt uiteen in enerzijds het niet zijn van slecht levensgedrag en anderzijds het voldoen aan de eisen ten aanzien van zedelijk gedrag zoals gesteld in het besluit. Gemeenten mogen echter ook andere overtredingen en misdrijven die in het besluit zijn genoemd ten grondslag leggen aan de beoordeling van slecht levensgedrag. Het gaat hierbij nadrukkelijk om twee toetsingsgronden. Uiteraard dient de gemeente dan wel goed te motiveren waarom andere dan de overtredingen en misdrijven als genoemd in het besluit haar aanleiding geven om te veronderstellen dat de leidinggevende van slecht levensgedrag is.

Bij de beoordeling of er sprake is van afwijking van het Besluit eisen zedelijk gedrag Alcoholwetvergunning mag slecht een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van de beslissing om een aanvraag Alcoholwetvergunning worden meegewogen.

Overige weigeringsgronden

De Alcoholwetvergunning is een zogenaamde ‘gebonden beschikking’. Dat betekent dat de vergunning verleend moet worden als er zich geen strijd voordoet met een van de weigeringsgronden in de wet en geweigerd moet worden als één van die weigeringsgronden zich wel voordoet. De gemeente kan hier niet een zelfstandige belangenafweging in verrichten.

Zo zal bijvoorbeeld een Alcoholwetvergunning verleend moeten worden ook al is de exploitatie van een horecabedrijf in strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is namelijk geen weigeringsgrond zoals opgenomen in de Alcoholwetvergunning , ook al betekent een horeca-exploitatie in strijd met het bestemmingsplan feitelijk dat niet geëxploiteerd mag worden. De wetgever is voornemens om dit in de nieuwe Alcoholwetvergunning aan te passen.

De hierboven besproken weigeringsgronden zijn verreweg de belangrijkste weigeringsgronden voor een Alcoholwetvergunning , maar in de wet zijn ook nog andere weigeringsgronden opgenomen. Daarbij kan gedacht worden aan de situatie waarin redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn, het zogeheten schijnbeheer, of de situatie waarin het verlenen van de Alcoholwetvergunning in strijd zou komen met de openbare orde.

Geldigheidsduur


De Alcoholwetvergunning is niet gebonden aan een geldigheidstermijn. De vergunning blijft geldig totdat er een nieuwe of gewijzigde vergunning wordt verstrekt, de vergunning vervalt of wordt ingetrokken.

Een vergunning kan bijvoorbeeld worden ingetrokken op het moment dat de inrichting niet meer overeenstemt met de omschrijving in de vergunning. Dit kan zich voordoen indien de op de vergunning aangegeven lokaliteiten er anders zijn komen uit te zien door een verbouwing of wijziging.

Ook indien de exploitant wijzigt omdat de onderneming wordt overgedaan aan een andere natuurlijke of rechtspersoon, dan dient er een nieuwe Alcoholwetvergunning te komen. Ook veranderingen in de bedrijfsuitoefening tot welke de vergunning strekt kunnen aanleiding zijn voor een nieuwe vergunning.

Verandert er echter niets aan het horecabedrijf in vergelijking met de situatie waarvoor de vergunning is verleend, dan blijft de vergunning in beginsel gewoon geldig.

Neem vandaag nog contact met ons op